Er komt een extra bankbelasting, overweegt de Tweede Kamer. En ik moet het maar even kwijt: ik vind het ongelofelijk hoe kortzichtig ons parlement hiermee handelt. Ik zou haast zeggen: kortzichtiger dan al die horden vermeende bankiers die achter een bonus aan rennen. Ik zal dat toelichten.
Crisis geeft hernieuwde focus op lange termijn
Onze grote financiële crisis kent in de kern drie bronnen:
1- overvloed aan geld, ontstaan door langdurige lage rentes van centrale banken,
2- algemene zucht naar rendement en onderschatting van tegenpartijrisico,
3- onevenwichtig opgezette eurozone met een munt die monetaire spanning veroorzaakt.
Een deel van de crisisproblematiek heeft te maken met het Icarus-verschijnsel. Denken dat de bomen tot in de hemel groeien, in een roes van maakbaarheid leven en dan naar beneden tuimelen. En in die roes zaten we vrijwel allemaal: bankiers, parlementariërs, overheden en consumenten (voor een half procentje meer naar Icesave). En die roes leverde een crisis en kater van jewelste op. Alsmede goede voornemens om de balans tussen korte en lange termijn te herstellen.
Parlementariërs zitten zelf klem in electorale bonuscultuur met perverse effecten
Terwijl regeringen, toezichthouders en bankiers zich hernieuwd het tegenpartij risico bewust werden en als een dolle aan de slag zijn om hun bedrijfsmodellen te verankeren op een langere termijn, zie ik dat onze parlementariërs grosso mode feitelijk het omgekeerde doen. Zij bevinden zich in een electorale omgeving die snel van voorkeur wisselt. En zo ontstaat de parlementaire drang naar een electoraal gewin. Onze parlementariers bevinden zich dus in een volstrekt ongezonde korte termijn electorale bonuscultuur.
Het effect hiervan is, net als bij de banken, pervers. Het is namelijk vrij eenvoudig om -ook in goede tijden- op het archetypische wantrouwen jegens bankiers, tollenaars en geldwisselaars mee te liften. Maar in hun zucht naar de electorale bonus zie ik ons parlement (en ook een beetje de Jager: met bijvoorbeeld zijn verplichte bankierseed) vooral incidentele, aan de kiezer goed verkoopbare strafmaatregelen uitvoeren tegen de banksector. Wraakzucht en electorale winst vieren de boventoon en zo komen er bankbelastingen, bonusverboden en soortgelijke incident-gedreven maatregelen. Zonder dat al te lang wordt stilgestaan bij de effecten daarvan op lange termijn.
Hoe zit het met de reflectie door de Tweede Kamer op het eigen gedrag?
In principe zou je kunnen zeggen dat de Tweede Kamer ook haar eigen gedrag onder de loep heeft gelegd, door de instelling van de onderzoekscommissie de Wit. Die heeft in twee delen onderzocht hoe het allemaal ging met de kredietcrisis en ook hoe de rol van parlement hierbij was. Dat zou toch voldoende stof tot nadenken geven?
Helaas, zeg ik dan. Op dat punt moet ik u teleurstellen. Met het neerdalen van het stof van de Commissies de Wit is voor mij duidelijk dat het hen meer ging om een stevige factfinding, vanuit een revanche-gedachte richting de leidende bestuurlijke spelers uit de financiële crisis, dan om het verkrijgen van werkelijk inzicht in de dynamiek en werking van bankieren, toezicht en parlement. Terwijl dat inzicht juist naar aanleiding van het werk van de Commissie de Wit zou kunnen ontstaan.
Parlement toont zich in de financiële crisis zélf de electorale bonusjager
Ik heb in het onderzoek de Wit een fundamentele analyse gemist over de rolopvatting van de Tweede Kamer. Mij dunkt dat die ongeveer langs de volgende lijnen had kunnen lopen:
1. Het parlement heeft een controlerende en mede-wetgevende rol en parlementsleden hebben zowel een vertegenwoordigende rol richting hun direkte achterban, als een hoedende rol om de belangen van alle Nederlanders in de gaten te houden. In de huidige mediacratie krijgt vooral de zichtbare behartiging van deelbelangen de nadruk, boven de zorg voor het grote geheel.
2. Het parlement heeft verder in de laatste jaren, onder druk van de media en verliezende kiezersbasis, sterk de neiging om aandacht te leggen op de mede-wetgevende rol: liefst gaat ze op de stoel van de bestuurder/regering zitten. Dit toont zich bij uitstek in de aanbeveling van de Commissie de Wit om met en artikel-100 procedure nog dichter op besluitvorming rond crisis willen zitten dan dienstig is voor het nemen van crisismaatregelen.
3. De werkelijke thematiek die de Commissie de Wit had kunnen adresseren bij de bespreking van de rol van het parlement is vooral of het parlement niet teveel is doorgeschoten in de nadruk op de rol van het parlement als medewetgever. Juist naar de toekomst, juist in een mediacratische samenleving, zou de centrale vraag een andere moeten zijn: hoe kunnen we als parlement robuust de hoofdlijnen uitzetten, de regering controleren en daarin het algemene belang blijven bewaken.
En zo zijn we beland in de situatie dat de Tweede Kamer opdracht gaf tot twee rapporten over de financiële crisis, die een goede aanleiding zouden kunnen zijn tot verdere bezinning en reflectie. Die reflectie blijft echter formeel-juridisch van aard en amper een week daarna verliest de Kamer zich met het voorstel voor bankbelasting in een interventionistische reflex, die moeilijk anders gelezen kan worden als strafexpeditie.
Parlementaire zelfreflectie nu harder nodig dan ooit
Alweer wat langer geleden heeft de Kamer zich gebogen over haar eigen, soms kortzichtige gedrag. Het rennen van incident naar incident. Het vergeten van de hoofdlijnen. En de noodzaak om gebalanceerd inhoud te geven aan alle verantwoordelijkheden van de parlementariër en parlement. Geïnspireerd kwam een prachtig eindrapport parlementaire zelfreflectie tot stand en de afspraak: we gaan elkaar in de toekomst goed bij de les houden.
Nu de Tweede Kamer, nauwelijks één week na het rapport de Wit, als een blind paard doorgaat met het revanche nemen op banken, lijkt het me goed om de parlementariërs nog eens de eigen spiegel uit dat rapport voor te houden:
Reflecteren kan altijd, ook en misschien wel juist naar aanleiding van incidenten, over de wijze waarop de Kamer functioneert. Stel wat vaker de vraag: «past dit nog wel bij de Tweede Kamer?»