Deze week kondigde het kabinet aan door te gaan met het wetsvoorstel dat gelaatsbedekkende kleding verbiedt. Een negatief advies van de Raad van State (nog niet online beschikbaar) wordt - zoals helaas inmiddels gebruikelijk is bij dit kabinet - volstrekt genegeerd. En alhoewel de peilingen uitwijzen dat deze coalitie met zijn buigingen naar de idee-tjes van Wilders volstrekt het moeras inzinkt, vervolgt Montere Mark zijn 'niets-aan-de-hand-dit-hadden-we-afgesproken-alles-gaat-goed' benadering.
Het voorstel is om diverse redenen merkwaardig, verbazend én zorgwekkend.
Allereerst is het natuurlijk merkwaardig dat de regering zich nu wel leent voor het doorvoeren van dit boerkaverbod. Dat verbod is namelijk in 2007 al door de Raad van State neergesabeld gezien de strijd met de godsdienstvrijheid. Het huidige wankele betoog dat de eufemistische woordtruuk: gelaatsbedekkende kleding iets heel anders is, wordt daarbij door Wilders himself onderuit gehaald aangezien hij letterlijk twitterde blij te zijn dat het boerkaverbod er komt. Dat maakt duidelijk hoe de vork in de steel zit.
Ik vind het zorgwekkend dat, naar verluidt, ook nu weer een advies van de Raad van State is genegeerd. En dat Montere Mark het tezelfertijd bestaat om doodleuk bij het afscheid van Tjeenk Willink te zeggen dat hij deze zeer waardeert als grote stille knecht, met een bijzonder en zeldzaam inzicht in onze constitutionele verhoudingen. Dat zijn holle en obligate woorden van een premier die zich niets gelegen laat liggen aan de adviezen van dit instituut en zich niet realiseert hoe wankel de rechtsstaat er -juist ook daardoor- aan toe is. Ik zou zeggen: lees de afscheidswoorden van Tjeenk Willink zelf en huiver.
En waar ik me tenslotte over verbaas is tenslotte hoe het zover heeft kunnen komen dat we het beschermen van onze mensenrechten zo uit het oog zijn verloren. Ik las daarover onlangs een bijzondere oratie. Hierin wordt duidelijk dat we als Nederland eigenlijk sinds de Unie van Utrecht al voortrekker zijn op het vlak van mensenrechten door godsdienstvrijheid juridisch te organiseren.
Ook concludeer ik uit die oratie dat de rechter in de zaak Wilders zich eigenlijk geen rekenschap heeft gegeven van de rechten van de Mens. Onder de geldende interpretatie en reikwijdte van het handvest van de rechten van de mens maakt het namelijk niet uit of je het hebt over islamisering of moslims. Het is de categorisering an sich die maakt dat sprake kan zijn van haatzaaien (zie verder de klacht daarover die op dit punt inmiddels is ingediend bij de VN en waaraan in Nederland zelf heel weinig aandacht wordt besteed).
Wie op afstand naar Nederland kijkt, ziet daar niet het trots volk dat zich sterk genoeg voelt om andere geluiden en gezindten te tolereren. Die ziet vooral angsthazen die zich bang laten maken door een populistische marionettenspelende zonnekoning. We zien een Openbaar Ministerie dat niet tot vervolging overgaat maar vrijspraak eist. We zien rechters met droge ogen beweren dat Wilders echt niet haatzaait, terwijl het effect daarvan zich overduidelijk niet beperkte tot Nederland. En we zien een regering die zijn eigen tolerante erfgoed en internationale goede naam te grabbel gooit met een eufemistisch verwoord boerka-verbod.
Ik kan niet anders dan -vrij naar Maarten van Rossem- me afvragen: heeft die Rutte überhaupt wel opgelet toen hij in Leiden geschiedenis studeerde?